Kasper Niehaus Zomer aan de Kaag 1925 1930 Kunsthandel Ivo Bouwman

Meer over Aan 't water

Loop je in de tentoonstellingszaal van Aan 't water en wil je meer weten over de kunstwerken? Lees dan hier de uitgebreide toelichting op alle water-thema's door gastconservator Boudewijn Bakker. Hij is ook de medesamensteller van het boek Aan 't water. 100 watergedichten en 100 watergezichten.

Afbeelding: Kasper Niehaus, Zomer aan de Kaag, ongedateerd, Kunsthandel Ivo Bouwman

Edgar Fernhout, Zee, 1958, bruikleen Stichting Museum Bommel van Dam ©Pictoright

De zee

Geen onderwerp is meer geliefd bij waterschilders dan de zee. Geen onderwerp biedt immers zoveel variatie in licht, kleur en beweging. Jan Toorop schilderde deze twee gezichten op de zee bij Katwijk omstreeks 1900 kort na elkaar, maar volkomen verschillend in stijl, techniek en atmosfeer.

Toorops kleinzoon Edgar Fernhout koos ruim een halve eeuw later hetzelfde thema, maar in een heel ander, eigen palet. Ook een hedendaagse schilder als Marian Plug vindt steeds weer nieuwe inspiratie in de wisselende aanblik van het zeewater. Samen omspannen deze drie kunstenaars een eeuw omgang met de zee als picturale uitdaging.

Henk Chabot, Inundatie, 1944, collectie Chabot Museum Rotterdam

Watervrees

In de twintigste eeuw waren er drie grote watersnoden. In januari 1916 overstroomden grote delen van West- en Midden-Nederland. In 1944 zetten de Duitsers de grote Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden onder water tegen de opmars van de geallieerden. Nog geen twintig jaar later volgde de beruchte watersnoodramp van februari 1953. Ook die trof weer uitgestrekte gebieden in Zuid-West-Nederland.

Van dat alles is bijna niets terug te vinden in de beeldende kunst, afgezien van de Inundatie uit 1944 van Henk Chabot, die vlak bij Rotterdam midden in de getroffen gebieden woonde. Wel vroeg de regering in 1953 een aantal schilders, onder wie Edgar Fernhout, om het herstel in beeld te brengen.

Pas in onze tijd nemen kunstenaars het thema van de ‘waterwolf’ weer op, als commentaar op de toenemende dreiging van het stijgende zeewater.

Christine van Zeegen, Zeeanemoon, ongedateerd, geborduurd schilderij, collectie ©Centraal Museum, schenking 2003 foto Ernst Moritz

Op en onder water

Het wateroppervlak toont zichzelf, maar ook wat zich erboven en eronder bevindt. De spanning tussen het spiegelvlak en het weerspiegelde daarboven is een oud motief in de schilderkunst. Maar wat zich eronder bewoog was eeuwenlang alleen zichtbaar door de waterspiegel heen, dus gedeeltelijk en vertekend. Pas sinds de uitvinding van het grote aquarium is de frontale blik in de geheimzinnige wereld onder water een picturaal onderwerp op zichzelf geworden.

Sal Meijer, Achterburgwal, ongedateerd, collectie Museum MORE

Stadswater

Havens en grachten zijn al eeuwenlang een geliefd onderwerp in de Nederlandse kunst. Dat bleef zo na 1900, maar al snel ontstonden er grote verschillen in benadering. Sommige schilders, zoals Eduard Karsen en de Vlaming Victor de Budt, bleven net als hun negentiende-eeuwse leermeesters de effecten van licht op water vastleggen. Anderen, zoals Jan Sluijters, zochten het in een verheviging van kleur en vorm en een krachtige compositie met weinig diepte. Dat is goed te zien in dit ontwerp voor een wandschildering in het Rotterdamse stadhuis.

Weer anderen, zoals Wim Oepts en Theo Stiphout, kozen juist voor een nuchtere, ‘objectieve’ beeldtaal met egale kleurvlakken en scherpe contouren: de Nieuwe Zakelijkheid.

Niet toevallig zochten traditionele schilders als Karsen en De Budt hun onderwerpen graag in en om de oude Amsterdamse grachten, terwijl de modernisten vaak kozen voor de haven van Rotterdam.

Sal Meijer had het schilderen voornamelijk zichzelf aangeleerd. Pas op latere leeftijd kreeg hij algemene waardering voor zijn verfijnde grachtgezichten en zijn ‘naieve’, eigenzinnige omgang met de academische regels van de kunst. Ook Toon van den Muysenberg moest het doen zonder kunstopleiding. Hij had alleen technisch tekenen geleerd, zonder lessen in lineair perspectief, maar dat geeft zijn stadsgezichten juist een speciale charme.

Andere kunstanaars, zoals Louis Schrikkel, hadden wel de kunstacademie gevolgd maar kozen bewust voor een eenvoudige, voor iedereen begrijpelijke ‘kunst voor het volk’, in overeenstemming met hun socialistische idealen.

Ferdinand Erfmann, 1952, collectie Bonnefanten, foto Peter Cox

Waterpret

In het tweeslachtige grensgebied van water en land komt er ruimte voor een ironische blik, vooral daar waar de aan ’t water recreërende mens in beeld komt. Ferdinand Erfmann en Kasper Niehaus bereiken dat ietwat spottende effect door een lichte overdrijving van menselijke houding en gebaar. Ook de Vuurtoren van Herman Berserik en het Mosselperceel van Emo Verkerk kregen onder de handen van hun makers een flinke dosis humor mee.

Theo van Doesburg, Duinen en zee, ca 1912, Kröller-Müller Museum, Otterlo, schenking Van Moorsel aan deStaat der Nederlanden 1981, overgedragen door ICN in 2005

De kust

Een geliefd motief in de schilderkunst is de ontmoeting van water en aarde: daar waar de twee elementen elkaar omarmen of bestrijden. Maar de benadering kan sterk verschillen: Theo van Doesburg en Johan van Hell verbeeldden de scheidslijn van zee en strand, gezien vanaf het duin, terwijl Christiaan Kuitwaard en Siemen Dijkstra juist van dichtbij de wederzijdse doordringing onderzoeken van water en land.

Jan Mankes, Avondschemering Woudsterweg, 1914, collectie Museum MORE

Stilte en schemering

Stilte en schemering geven het water iets geheimzinnigs dat veel kunstenaars heeft geïnspireerd. Zo kan er soms – zoals hier bij Herman Kruyder en Rein Dool – onverwacht een verwantschap ontstaan tussen kunstwerken met bijna een eeuw ertussen.

Tegelijkertijd wordt hier de grote afstand zichtbaar tussen de suggestieve en emotionele stijl van Kruyder en die van zijn zuiver figuratief schilderende tijdgenoot Dirk Wiggers. Diens schilderij was bedoeld als voorbeeld voor een schoolplaat en moest dus niet alleen sfeer maar vooral aardrijkskundige informatie bieden.

Soms treffen kunstenaars uit verschillende tijden elkaar onverwachts in hun werk. Dat is ook het geval bij deze stille en dromerige gezichten van Jan Mankes en Christiaan Kuitwaard. Jan Mankes is beroemd geworden als ‘schilder van de stilte’. Kuitwaard heeft een andere schildertechniek en -stijl maar heeft zich zeker mede door Mankes laten inspireren. Ook zijn werk ‘gaat over stilte’, zoals hij het zelf uitdrukt.

Bert Osinga, Zuiderzeebrug bij Diemen, 2004, collectie Stadsarchief Amsterdam

Over het water

Bruggen verbeelden de overwinning van het land op het scheidende water. Ze zijn van veel kanten te benaderen, zowel fysiek als picturaal, en daardoor ook een geliefd motief in de beeldende kunst. De brug is een paradox in zichzelf: hij verbindt, maar als hij open is sluit hij juist af. De drie kunstenaars in dit thema benaderen elk op hun eigen manier de brug als picturale uitdaging.

Rein Draijer, Hollands landschap, 1975, particuliere collectie

Binnenwater

Dit thema laat zien hoe binnen een beperkt tijdsbestek iedere schilder zijn eigen kijk op hetzelfde onderwerp kan hebben. De buitenste vier doeken in dit thema zijn alle ontstaan tussen 1908 en 1915, toen nieuwe stijlen als luminisme, kubisme en expressionisme de aandacht van jonge kunstenaars vroegen. Elk van deze vier kunstenaars vond daar weer een eigen antwoord op.

Driekwart eeuw later was er nog steeds veel variatie in de kunstenaarsblik op het Hollandse binnenwater. Sommige schilders, zoals Rein Draijer, hadden een ‘hard edge’ benadering, terwijl Emo Verkerk hier juist het beweeglijke water bijna tastbaar zichtbaar maakt.